Assenede Vertelt staat stil bij 11 november met het unieke verhaal van Emiel Bernaert

Geplaatst op 10/11/2020

Dakdekker, geniesoldaat, honderdjarige,....

Assenedenaar Emiel Bernaert oefende het beroep van dakdekker 66 jaar onafgebroken uit. Op 93-jarige leeftijd vroeg een goede vriend hem om het hok van zijn hond van een nieuw strodak te voorzien. Kranige Miel deed dit! Tijdens de wintermaanden ging hij dagelijks slachten bij de boeren. Naar eigen zeggen slachtte hij ongeveer 20.000 varkens, soms 4 per dag!

Hij had last van reuma, een erfenis uit de Eerste Wereldoorlog, toen ze door water en slijk het vaderland moesten verdedigen. Hij heeft nog meer tastbare herinneringen aan de IJzer: acht frontstrepen en de titel van oudste vuurkruiser van de gemeente.

“Op 3 augustus 1914 vertrokken we naar onze kazerne. We kregen onze kledij, ons wapen, onze naam werd afgeroepen en we mochten ons rantsoen ophalen. 's Anderendaags gingen we naar Tienen. Onderweg kwamen we veel vluchtelingen tegen en overal werd geschoten. We overnachtten in het station van Tienen. Onder het station was een viaduct; we zagen Duitse soldaten te paard op ons afkomen. We maakten een barricade met treinbielzen. Toen de Duitsers dicht bij ons waren, gooiden we die balken om. Verschillende Duitsers waren gewond of dood. We zijn van Tienen naar Dendermonde getrokken. Daar kwamen we Belgische soldaten tegen – dachten we – … het waren Duitsers verkleed in Belgische uniformen. Zij schoten op ons, wij verloren zes man. We zijn dan gevlucht tot achter de dijk van de Schelde. Het bleef stil, de Duitsers bleven op de andere oever. Die nacht is zowat heel Dendermonde aan stukken geschoten. 's Morgens rond 9 uur zei de luitenant dat we de brug moesten opblazen. Alles was de vorige nacht al in gereedheid gebracht. Het mislukte; we gingen kijken. In plaats van staven dynamiet waren er houtblokjes aangebracht. Hier moet sabotage in het spel geweest zijn.”

De hele oorlog heeft Emiel aan het front gestreden. Bij het begin was er de achterwaartse mars van Antwerpen naar de IJzervlakte. Hij heeft ook weet van het feit dat Assenedenaar Karel Lodewijk Baeke meehielp om samen met de sluismeester de sluis in Nieuwpoort open te draaien. “Er zijn toen veel Duitse soldaten gesneuveld, Velen werden doodgeschoten en zij die niet konden zwemmen, verdronken.”

Emiel moest als geniesoldaat 's nachts de vuurlinie herstellen en noodbruggen aanleggen om naar de voorposten te kunnen gaan. Ze werkten alleen 's nachts, overdag sliepen ze en maakten ze alles klaar om er 's nachts terug op uit te gaan. “Wij waren een aparte compagnie en sliepen in barakken, altijd op dezelfde plaats. We moesten ons met een bootje verplaatsen en als dat vast kwam te zitten moesten wij eruit om het terug vlot te krijgen.” Hij heeft niet veel Duitsers gezien, hij was wel getuige van de overstroming van de IJzervlakte. “Ik was ook de coiffeur van de compagnie, dat bracht aardig wat geld op, waarmee ik dan een en ander kon kopen in een winkeltje dat werd opengehouden door vluchtelingen.” Hij is gedurende die tijd drie keer met verlof geweest, telkens naar ‘Frans Lourdes’. Van het front tot Parijs mocht men gratis rijden met de trein en de verdere reis tot Lourdes werd terugbetaald door de aalmoezenier.

“'s Morgens aten we brood, ik kocht me er meestal iets bij. 's middags was er soep, aardappelen en een groot stuk vlees, 's avonds brood met sardientjes uit blikken dozen.

Ze hebben me één keer bang gekregen, het waren dan nog de vrienden. Gust Van Laere, een kleermaker uit Kaprijke die ook bij mij in de compagnie lag, had samen met wat vrienden afgesproken om mij eens beet te nemen. Ze zeiden: ‘We hebben zin in boontjes, ga je mee boontjes pakken bij de boer?’ Wij op weg, opeens roept iemand: ‘Hela, wat is dat daar?’ … en ik weg, lopen, lopen en nog eens lopen. Ik moest over een gracht springen en viel er midden in, ik was kletsnat.”

De bevrijding maakte hij niet mee. Twee weken voor het einde van de oorlog kreeg hij een kogel door zijn arm. Hij verbleef twee maanden in Frankrijk eerst in Marseille en daarna in Cannes. “Het is vanuit Cannes dat ik naar huis kwam, twee dagen op de trein tot in Brugge, de rest deden we te voet tot thuis.”

“Mijn thuiskomst was het mooiste moment uit mijn leven. Mijn vrouw was verstomd, het lukte haar maar niet om te praten toen ze me zag. Ik mocht slechts acht dagen blijven om me daarna terug bij mijn regiment te voegen in Gent. We bleven ongeveer 14 dagen in Gent daarna ging het regiment naar Duitsland. Omdat ik de oudste was, mocht ik hier blijven. Ik ben dan voorgoed naar huis gekomen half april 1919.”

 

In de cursief gedrukte passages is Emiel zelf aan het woord tijdens een interview in het kader van een BTK-project in opdracht van het toenmalig gemeentebestuur, afgenomen in 1980.

 

 

“Assenede Vertelt 2020”

Krispijn Hautekeete, Freddy Bekaert,  Yvan Schaght

terug naar het overzicht

Verklaring over cookies